Welk vervoer is er en hoe snel beweegt het punt?
Te voet, fiets, e-bike, scooter, motor, auto en openbaar vervoer, plus ‘Hybride’. De snelheid stel je in met een schuifregelaar tot 200 km/u, en die wordt per vervoer onthouden.
Standaard ligt de snelheid dicht bij de werkelijkheid: 5 km/u te voet, 15 km/u op de fiets, 22 km/u op de e-bike, 40 km/u op de scooter, 50 km/u met de auto, 60 km/u op de motor en 25 km/u met het OV. Bij ‘OV’ bepaalt de schuifregelaar de snelheid van de bus of tram zelf, en de looptrajecten naar de haltes gaan op wandeltempo.
Het vervoer bepaalt niet alleen de snelheid, maar ook de wegen: een voetganger loopt over stoepen en oversteekplaatsen, een fiets over het fietsnetwerk, auto, motor en scooter over de rijbaan. En de ‘fysica’: hoe snel het punt optrekt, hoe het afremt en hoeveel snelheid het in bochten verliest. Daarom trekt een voetganger op 200 km/u toch langzaam op — dat is een eigenschap van het vervoer, geen fout.